Spijsvertering paard

De spijsvertering van een paard is volledig ingesteld op het verwerken van plantaardig voedsel. In tegenstelling tot een koe en schaap, die ook planteneters zijn, is een paard geen herkauwer. Ook heeft een paard slechts één maag en wordt het voedsel eerst in de maag en later in de dunne- en dikke darm verwerkt, omgezet en afgebroken.  Via het rectum en de anus verlaat de restant van de voedselmassa als ‘mestballen’ of ‘paardenvijgen’ het lichaam. Tijdens het lange proces van spijs verteren kan er snel iets misgaan met ziekte tot gevolg. Cruciaal in dit proces zijn de enzymen en de darmflora die ervoor zorgen dat voedingstoffen uit het voedsel goed worden opgenomen in het lichaam.

Anatomie en functie van het spijsverteringsstelsel van het paard

Om de spijsvertering bij het paard te begrijpen is het goed om te weten hoe het spijsverteringsstelsel werkt en welke organen daar bij betrokken zijn. Onderstaande organen spelen een belangrijke rol in de spijsvertering van het paard.  

Mond en gebit

Voor een gezonde spijsvertering is een goed functionerend paardengebit een voorwaarde. Het paardengebit is ontwikkeld voor het vermalen van vezelrijk en plantaardig voedsel. Omdat het paardengebit gedurende het hele leven blijft doorgroeien en verandert is het goed om het regelmatig te controleren.

Veulens worden vaak geboren met twaalf kiezen, dit zijn de premolaren. Zes in de boven- en zes in de onderkaak. De eerste snijtanden komen binnen één week na de geboorte al door. Wanneer het veulen 6 tot 8 maanden oud is, heeft het alle twaalf snijtanden. De blijvende kiezen verschijnen na het eerste levensjaar achter de derde premolaar. Soms ontwikkelen zich na het eerste levensjaar wolfskiezen. Daar kan een paard hinder van krijgen.

Met het gebit vermaalt het paard het voedsel in kleinere stukken. Daar neemt het dier rustig de tijd voor. Zo kauwt het ongeveer veertig minuten op één kilogram hooi. In deze periode wordt er maar liefst 3 tot 3,5 liter speeksel geproduceerd voor verdere vertering van dit ruwvoer, dit is essentieel voor de stofwisseling. Krachtvoer wordt echter veel sneller vermaald, te weten een kilogram in tien minuten, waarbij een paard maar één kilo speeksel aanmaakt. Speeksel wordt aangemaakt door het paard om het voedsel goed te verteren. Bij droog voeder heeft een paard grote behoeftes aan water voor de sterke speekselafscheiding (zo'n 40-60 liter per dag). Bij lichte arbeid is er een behoefte van 30 - 40 liter water, bij zware arbeid 50 tot 60 liter.

Paarden die dag en nacht in de wei staan eten het grootste gedeelte van de dag. Op deze manier slijt het kauwgedeelte van het kauwoppervlak van de kiezen gelijkmatig af. De praktijk leert echter dat veel paarden voor een groot gedeelte van de dag op stal worden gehouden en slechts driemaal per dag worden gevoerd. Dit kan leiden tot een onregelmatige afslijting van het gebit. Soms ontstaan er haken. Deze haken veroorzaken pijn, waardoor het paard afwijkend gaat malen en de slijtage nog onregelmatiger wordt. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel. Om dit te voorkomen is een jaarlijkse controle van het paardengebit noodzakelijk. Zeker ook omdat er een categorie paarden is dat niet laat merken dat hij last heeft van zijn gebit, deze paarden lijden in stilte.

Signalen van dat er iets mis is met het gebit of dat er pijn is in de mond, zijn: aanleuning problemen, scheve hoofdhouding, niet willen inbuigen, proppen maken van het voer en mond openhouden tijdens het rijden. In die gevallen is het raadzaam om het gebit te laten nakijken. Het gebit speelt immers een zeer grote rol bij de spijsvertering van het paard. Verder kunnen klachten als slecht eten, hamsteren, vieze adem, onverteerde mest, een verstoorde stofwisseling, vermageren en koliek hun oorzaak hebben in een probleem met het gebit.

Tong/slokdarm

Het proces van de spijsvertering van het paard gaat verder bij de tong en slokdarm. De tong verplaatst het voedsel vermengd met het speeksel naar achter in de mond, waar het de slokdarm (oesophagus) ingaat. De slokdarm van een gemiddeld paard is 120 cm lang en loopt van de keel naar de maag. Door voedsel kan de slokdarm uitrekken tot ongeveer 3 cm. Via samentrekkende bewegingen van de slokdarm vervolgt het voedsel haar weg naar de maag. Dit gaat niet altijd goed: soms ontstaat er een slokdarmverstopping. Dit is te herkennen aan het ‘overstromen’ van speeksel van de keel naar de mond of neusgaten. Een slokdarmverstopping kan ontstaan door te snel eten of door het eten van voer dat sterk opwelt met speeksel of doordat de slokdarm door eerdere verstoppingen is beschadigd. Een paard zal gaan zweten, kokhalzen en hoesten. Gevaar voor longontsteking ligt op de loer.

Maag

Na de slokdarm bereikt het voedsel in het spijsverteringsproces van het paard de maag, die met een inhoud van ongeveer 18 liter eigenlijk klein is voor een paard. Hier worden enzymen en maagzuur toegevoegd en wordt het voedsel verder afgebroken.

De spijsvertering van een paard is ingesteld op het continu eten van kleine hoeveelheden gras of ruwvoer. Van nature eet een paard 14 tot 16 uur per dag, het liefst buiten in de wei. Voor het gedomesticeerde paard is dat helaas geen dagelijkse praktijk en staat hij zeker in de winter vaker op stal en is voor zijn voeding afhankelijk van de voerbeurten door zijn verzorger. Op veel stallen is twee tot drie voerbeurten per dag echter de dagelijkse praktijk. Hiermee neemt het risico op het ontstaan van maagzweren toe en het krijgen van een koliek.

Om maagzweren te voorkomen is het belangrijk dat de maag niet langer dan zes uur leegstaat. Daarom is het goed dat een paard de hele dag wat te knabbelen heeft of in de wei staat en dat het drie tot vier keer per dag een portie ruwvoer krijgt. Hierdoor blijft de spijsvertering van het paard doorgaan.  Het voorkomen van een lege maag is ook van belang omdat bij een paard de galblaas ontbreekt, waardoor verteringssappen de hele dag door de dunne darm inlopen. Tijdens de spijsvertering van het paard zijn maag en darmen extra voorzien van bloed, dat deels onttrokken wordt aan minder hard werkende lichaamsdelen. Daarom is het beter een paard kort na het eten niet intensief te gebruiken. Ook stress heeft invloed op de spijsvertering van het paard en kan tot maagproblemen leiden.

Dunne darm

De volgende stap in de spijsvertering van het paard is de dunne darm, waar de eiwitten door enzymen worden afgebroken en omgezet tot aminozuren, die de darm kan opnemen in het bloed. Hier worden vooral de gemakkelijk verteerbare componenten verteerd, zoals zetmeel, eiwit en vet. De dunne darm is 21 tot 25 meter lang en bestaat uit drie delen: de twaalfvingerige darm (= duodenum), de nuchtere darm (= jejunum, zo'n 15-23 meter lang) en de kronkeldarm (= ileum). Vrijwel alle voer wordt in de dunne darm verteerd en opgenomen in de bloedbaan.

Een specifieke maar regelmatig voorkomende aandoening is een dunne darmwand ontsteking ofwel IBD (inflammatory bowel disease). Paarden die hier aan leiden zijn vaak mager, minder gespierd en hebben last van terugkerende kolieken. Een aanpassing van het voer kan soms een oplossing zijn.

Lever

Bij de spijsvertering van het paard speelt de lever een grote rol. De lever is het grootste orgaan van het paardenlichaam. Het gewicht bedraagt ongeveer anderhalf procent van het totale lichaamsgewicht. De lever zorgt voor uitscheiding van gifstoffen en hormonen, breekt eiwitten af, slaat vitaminen op en produceert gal. Een paard heeft maar zelden een leverziekte (hepatopathie), maar door vergiftigingen, infecties of medicijnen kunnen acuut problemen optreden die zelfs chronisch kunnen worden. Een hyperlipaemie ontstaat wanneer te dikke paarden dagenlang niets eten. Als gevolg hiervan komen er zo veel vetreserves vrij, dat de lever dit niet meer kan verwerken. Hepatitis (leverontsteking) komt eveneens voor bij paarden, maar de meeste leverproblemen zijn secundaire ziekten, bijvoorbeeld als gevolg van hoefbevangenheid.

Milt

Ook de milt speelt is belangrijk voor de spijsvertering van het paard. De milt weegt ongeveer anderhalve kilo en kan bij ziekte een gewicht van wel vijftig kilo bereiken. Hij heeft de vorm van een zeis. Via een bindweefselband is hij verbonden met maag en nieren. Het zachte en goed doorbloede orgaan ligt in een stug bindweefselkapsel, dat bij het paard dikker is dan bij andere zoogdieren. Als het paard zich inspant, pompt de milt extra bloed door het lichaam. Hij zorgt bovendien voor de afbraak van verouderde rode bloedlichaampjes, de opslag van bloed en de productie van antilichamen voor de afweer.

Aandoeningen aan de milt treden maar zelden op. Als de milt ziek is, zwelt deze op. Een vergroting van de milt kan ook ontstaan door tumoren of door leukemie. Als de milt scheurt (ruptuur) kan het paard inwendig doodbloeden. Dat kan gebeuren door blessures of ongevallen. Miltbloedingen leiden helaas wel vaak tot levensgevaarlijke kolieken. Het kan ook gebeuren dat de dikke darm tussen de milt en de milt-nierenband wordt ingeklemd. Ook dan heeft het paard vaak last van koliekaanvallen.

Nieren

Zijdelings spelen de nieren ook een rol bij de spijsvertering van het paard. De nieren van een paard controleren de hoeveelheid en de samenstelling van de lichaamsvloeistoffen. Elke dag vloeit er ongeveer 6.600 liter bloed door de goed doorbloede nieren.

Nierziektes bij een paard blijven vaak verborgen omdat de andere nier het werk van de zieke nier overneemt. Nierpatiënten hebben vaak dorst, hun vacht is dof en hun urineergedrag is verstoord met een heel vaak of juist zelden plassen. Normaal plast een paard vijf tot acht keer per dag. Daarnaast kan het paard sloom en traag worden vanwege de narcotiserende werking van de overmaat aan ureum.

Nierontsteking gaat vaak samen met andere ziektes. De diagnose wordt vaak gemist, omdat de symptomen meestal pas zichtbaar zijn als al vijftig procent van de nierfunctie is aangetast. Daarom is het moeilijk om een diagnose te stellen. Een nierenontsteking ontwikkelt zich gedurende meerdere jaren en is vaak al chronisch voor hij opgemerkt wordt. In ernstige gevallen verschrompelt de nier. Als tweederde van de nierfunctie is uitgevallen, dreigt nierfalen. Daarbij wordt het paard door zijn eigen afvalstoffen vergiftigd, omdat die niet meer uit het lichaam worden uitgescheiden.

Blindedarm en dikke darm

Na de dunne darm komt de voedselbrij in het spijsverteringsproces terecht in de dikke darm. Maar voordat het daar aankomt passeert het de enorme blindedarm ofwel de caecum. Deze is ongeveer een meter lang en heeft een inhoud van 30 liter. De blindedarm van het paard heeft een vergelijkbare functie in het metabolisme als de voormagen van de koe: de celwanden van het gras (zoals cellulose, het paard voedt zich immers voornamelijk met cellulose-rijk materiaal) wordt hier afgebroken door bacteriën en omgezet tot vetzuren. Deze laatste worden in de lever omgezet tot glucose. De glucose wordt onmiddellijk verbrand of wordt elders in het lichaam opgeslagen voor later gebruik.

In de dikke darm gaat de bacteriële omzetting van de restant van de voedselbrij – inmiddels fijngemalen en doordrenkt met water -  verder. In de dikke darm leven enorm veel bacteriën – de darmflora - die de vezels en overige voedingsbestanddelen verteren. Voedingsstoffen worden door de wand van de dikke darm opgenomen in de bloedbaan. Dit proces gaat ook in het tweede deel van de dikke darm door, net als opname van water. De dikke darm is ongeveer 7-9 meter lang. Beschadigingen aan de darmwand of een verstoorde darmflora zijn vaak de oorzaak van een verstoord spijsverteringsproces en een bron van het ontstaan van ziekten.

Rectum

Wat dan nog overblijft van de voedselbrij komt terecht in het rectum ofwel de endeldarm. Hier wordt de voedselmassa, waaraan een groot deel van het water inmiddels is onttrokken, gevormd tot 'mestballen' of 'paardenvijgen', waarna het via de anus het paardenlichaam verlaat. Hiermee komt de spijsvertering van het paard tot een einde. Mest is een goede indicator van het verloop van de vertering, dit kan de paardeneigenaar veel vertellen over de spijsvertering van het paard.

Problemen bij de spijsvertering van het paard

Problemen bij de spijsvertering van het paard zijn talloos. Vaak is de combinatie klacht en oorzaak binnen de spijsvertering snel gelegd. Diarree, dunne mest en verstopping of obstipatie en darmkrampen vertellen iets over de vertering in de darmen, de maagfunctie en de leverwerking. Lastiger wordt het als de bron van de klacht in de spijsvertering van het paard wat minder voorspelbaar is: denk hierbij aan gevoelige darmen of een darmontsteking, een verstoorde darmflora, een ophoping van afvalstoffen in de darm of een infectie met wormen of parasieten. Daarbij kunnen spijsverteringsproblemen leiden tot problemen met huid en vacht, koliek en kunnen ontstekingen van slijmvliezen van maag en darm leiden tot maagzweren, braken, een opgeblazen buik en winderigheid.

Therapieën bij de spijsvertering van het paard

Fytotherapie, homeopathie, Chinese geneeskunde (TCM), vitaminen en probiotica ondersteunen het zelfherstellend vermogen bij problemen met de spijsvertering van een paard.

Kruiden en mineralen kunnen het spijsverteringsproces ondersteunen, de maagwand beschermen en de darmwerking stimuleren en reguleren:  Echte kamille, Gember, Grote engelwortel, Hop, Mariadistel, Paardenbloem, Pepermuntblad, IJslandsmos. Zoethout en Calcium (als -carbonaat) en magnesium hebben een beschermende en versterkende invloed op het maagslijmvlies, reguleren de maagzuurproductie en hebben ontstekingsremmende eigenschappen. Absintalsem, Boldo extract, Kurkuma, Fenegriek, Goudsbloem extract, Grapefruitzaad extract, Kruidnagel, Lapacho, Tijm en Wilde marjolein, Caprylzuur en Magnesium bestrijden wormen en parasieten.

Deel deze pagina:


Bezorgd over uw privacy?